Books

Marktisme

6988472_orig

 

Marktisme. Het is een nieuw begrip. Een warrig begrip. Moeilijk te omschrijven. Het is immers niet iets ‘precies’, het is iets complex, zoals een tijdsgeest, of tijdsdamp, altijd is. Het is een algemeen grondidee dat de markt centraal stelt op alle terreinen, zonder onderscheid. Elk mens wordt als klant behandeld. Elke verandering als een productieproces. De markt als dé norm, voor van alles en nog wat. En overal. Een paradigma. Een dogma.

Sinds de internationale financiële crisis horen we steeds meer kritische stemmen over dat alomtegenwoordige marktisme. In zijn nefaste gevolgen lijkt dat marktisme op het dogmatisch marxisme, op doorgeschoten economisch-berekenend denken. Méér dan neoliberalisme of vrijemarkteconomie is marktisme een metafysica van de markt. Iets dat zich boven de hoofden van gewone mensen bevindt. Het gaat om abstracte financiële markten die de wereld in de ban houden, om een verondersteld rationeel keuzegedrag van alle mensen op alle plaatsen. Een algemene setting waarin elk mens enkel aan winst en succes denkt, en daarnaar handelt.

Dit boek toont aan wat er vandaag in allerlei domeinen van de samenleving aan de hand is. Marktisme is een bundeling van essays uit de laatste drie jaargangen van het maandblad Streven. Het boek beschrijft hoe een gereduceerd mens-, maatschappij- en cultuurbeeld ons denken en handelen beïnvloedt en bepaalt.

Met bijdragen van Hans Achterhuis, Gerrit Brand, Herman De Dijn, Paul De Grauwe, Ivo De Kock, Georges De Schrijver, Annemarie Estor, Stijn Geudens, Greg Houwer, Erik Martens, Frank Saenen, Herman Simissen, Bart Staes, Salomon J. Terreblanche, Guido Vanheeswijck, Rosine Van Oost, Marc Verminck, Walter Weyns en Andrew Winnick.

Walter Weyns, Annemarie Estor en Stijn Geudens (red.), Marktisme. Kritiek op het berekenende samenleven, Pelckmans, Kalmthout, 2013, 244 blz., 21,50 euro, ISBN 978-90-289-7139-4.

Advertenties
Standaard
General

Translations

Some of Annemarie Estor’s poetry, originally in Dutch, has been translated into other languages.

1

Handschrift 1

Translated from the Dutch by Zalmai Panjsheri and Dawud Daryabari.
Handwriting by Bahram Aghbar.

Original Dutch poem:

Mijn hart is van papier.
Het verslapt in de regen.
Het verkleurt in de zon.
Het waait weg op elke wind.

Ik vraag u:

Begraaf het in de woestijn.
Leg er een steen op.
Laat het verdrogen.
Dan kent het een plaats.

Annemarie Estor, augustus 2013.

 

 

2

From the asphalt

Snakes and rats lie mangled, perverted
among car tyres on the scorching road.

The woman speaks:
‘In every rat an almond hides.’
‘In every snake a dream.’

A film of silver rises from the asphalt.
The false reflection shows the shape
of he who travelled in his soul.

Translated by Lex van der Wagt, 2013

 

3

Del pavimento

Yacen fláccidas serpientes y ratas, extendidas
entre neumáticos en el arcén hirviente.

La mujer pronuncia:
«Cada serpiente esconde un sueño.»
«Cada rata alberga una almendra.»

Del pavimento se eleva una capa de plata.

En el falso reflejo aparece la figura
de quien se fue de viaje en su alma.

© traducción española: Diego J. Puls 2013

4

History

The summer’s fading out.
Already the chestnuts have begun to rust.

Children are walking in the lanes
And inside their heads the hay is hanging
Where the reaper-woman put it up to dry.

They are picking up wasps from the grass verge
And on the back of their bikes there’s a box full of fright.

At home the aunts tell tales of the knives in the drawer,
Of grass, and the scythe through the grass.

Translated by Frederick Turner, 2013

 

5

Stolz trug er Mäntel
aus Schafen, mit beherrschter Hand geschlachtet.
Er schützte mich vor Flegeln auf Mofas,
er nährte mich mit Heldengeschichten und wies auf die Berge.
Im Garten des Wahnsinns war er
das gewaltigste Grün.

Übersetzt von Stefan Wieczorek, 2013  (excerpt from Die Achsel des Bocks, to be published in a German collection of Flemish poetry, [SIC] LITERATURVERLAG & Christoph Wenzel, 2014 )

Standaard
Books

Het boek Hauser

Hauser kaft Van 2009 tot 2013 werkten Lies en Annemarie aan een postkaartenproject, een multimediaal epos, een woordbeeldverhaal, er zijn vele namen voor HAUSER te verzinnen. Elke week stuurden de twee dichters-annex-kunstenaars elkaar een kaart met daarop een nieuwe strofe en een illustratie. Van de traditionele ‘kaart’, 10 x 15 cm, was al gauw geen sprake meer: er werd wild geëxperimenteerd met formaten. De spanning steeg… wat krijg je nog verzonden via de post? Gaandeweg het verhaal ontstond ook de behoefte aan extra personages, en dus aan nieuwe medewerkers… Op 13 september 2013 verscheen Het boek Hauser (Annemarie Estor en Lies Van Gasse, Wereldbibliotheek). Bestellen kan hier. Maar het boek ligt ook in de boekhandel.

Preview Hauser

Exposities:

  • AMVC Letterenhuis Antwerpen, 13 september – 13 december 2013
  • Bibliotheek Harelbeke, 1 – 28 februari 2014
  • Bibliotheek Sint-Niklaas, 4 december 2014 – 8 februari 2015
  • Kunstacademie Geraardsbergen, 2 – 28 maart 2015
  • Tresoar Leeuwarden, in samenwerking met Afûk en Els van Dinteren, nazomer 2015

Zie ook:

Standaard
General

Recensies

Ziehier de verzameling van alle verschenen recensies.

T. van Deel

(NBD|Biblion recensie)

Annemarie Estor (1973) is dichter, verhalenschrijver, beeldend kunstenaar. Dit is haar debuutbundel met de prikkelende titel Vuurdoorn me. De erotische of meer in het algemeen zinnelijke en zintuiglijke benadering is het meest opvallende kenmerk van haar poëzie. Het beste is ze wanneer ze niet al te poëtisch wil doen, maar het eenvoudig houdt, zoals in ‘Bijna feest’: ‘We staan bij de gevel / in de opengebroken mist. // Achter je voordeur: / stapels popelende kookboeken. / Je wil iets doen met wild. // Ik wil wel wild.’ Maar vaker is het wat al te mooi gemaakt, bij voorbeeld in: ‘Het is geweest. De tijd rent weg / tussen de bladeren. Met blonde staartjes / en laarsjes vlucht zij voort, de tijd.’ Soms ook is het vaag en onduidelijk: ‘Uit de stappen in het stof ontsnapt de richting. / Het azuur ontstijgt het lamplicht.’ Met een beetje meer zelfkritiek had dit werk een stuk strakker en overtuigender kunnen zijn, met minder poëtische aanstellerij ook zou heel wat gewonnen zijn. Dan liever: ‘Bolderikme. Vijfvingerkruidme, / aspergeme, engelwortelme, adderwortelme! / Gladdewitbolme… oh, zompzeggeme… hondsdrafme. / WildeBertramme! Beukme ja beukme!’

Jury Herman de Coninckprijs 2011:

Annemarie Estors debuut Vuurdoorn me smaakt naar meer. Deze poëzie is zinnelijk en passioneel, verzen om in te bijten. Estor heeft plezier in de taal en deelt dat plezier met de lezer: ze serveert hem/haar ongewone woorden, nieuwe vondsten, vreemde beelden. De dichteres kneedt het Nederlands tot het warm en buigzaam is en onderdak biedt aan klevende vingers, billen en uilendons. Het is goed toeven in de poëzie van Annemarie Estor: je bent er meestal met twee en de koude werkelijkheid is veraf. Een speels en verrassend debuut, dat verwachtingen schept.

Koen Eyckhout

Dagblad De Limburger

De Vlaamse Annemarie Estor (1973) studeerde Cultuurwetenschappen in Maastricht, waarna ze in Leiden de doctorstitel verwierf met een studie over de Engelse schrijfster Jeanette Winterson, o.a. bekend van de roman Op het lichaam geschreven. Die titel had best het motto kunnen zijn van Estors tweede dichtbundel De oksels van de bok, een stoer en lichamelijk geschreven mythe in dichtvorm. Vol klankdicht en zangstemmen. Sater Izem krijgt met zijn aardse en bovenaardse charmes een jonge vrouw in zijn macht: “Mijn lichaam wist nog hoe zijn lichaam voelde. Hij was een dier en zoet als dadels. Maar hij trok de takken van mijn longen, beefde mijn tong.” Huiveringwekkend mooi.

Harry Vaandrager

Meander.net

WOON IN MIJ

Uit veel hedendaagse poëzie zijn de mensen door de nooduitgang verdwenen. Laat staan dat in die gedichten vleselijke verstrengelingen beschreven worden. Hoe anders is dat bij Annemarie Estor in haar nieuwe bundel De oksels van de bok.

Hier, in dit lange narratieve gedicht, wordt de liefde alleraardst genoten door de jonge vrouw Meanana en de sater Izem – half mens, half dier, half aards, half hemels.

… wij vraten elkaar totdat wij in een lichaam kwamen. Ingewreven met komijn
vreeën wij vereender met de resten van geslachte dieren.
Wij maakten vuur van oude boeken en we blakerden de huiden,
we beten als leeuwinnen en ademden elkanders spuug
met teer, we zogen zwabberdialecten uit elkanders keel.
En een paar pagina’s later zegt die geile bok Izem:
Maar woon in mij. Tussen mijn organen is een holte.
De muren zijn van vlees, gepekeld en gedroogd.
Leg je hoofd hier neer en slaap.

Er wordt een verhaal, of beter een mythe, verteld in een vaart waar menig prozaïst jaloers op mag zijn. Als lezer snel je van de ene regel naar de volgende pagina. En ik had geen enkele behoefte om thema’s te benoemen, duisterheden te ontraadselen of te letten op de gebezigde literaire technieken. Het is als met echte seks: je laat je meevoeren.

Hiermee wil geenszins gezegd zijn dat er inhoudelijk niets te genieten valt. Allesbehalve. Dit gedicht barst van de expliciete verwijzingen naar Griekse en Arabische mythen, de Bijbel, de Kabbala en naar ongetwijfeld nog veel meer bronnen van kennis. Literatuurwetenschappers zouden er al een hele kluif aan hebben om alle genoemde plaatsnamen een duiding te geven.

Met dit gedicht bewijst Annemarie Estor dat poëzie simultaan lyrisch en cerebraal kan zijn. Dat is een niet geringe verdienste.

Piet Gerbrandy

De Groene Amsterdammer

[PDF VOLGT]

Saskia Kunst

Ooteoote.nl

Deze week verscheen in De Groene Amsterdammer een recensie van De oksels van de bok, het pas verschenen lange gedicht van Annemarie Estor. De recensent is Piet Gerbrandy.

Gerbrandy begint zijn stuk met een beschrijving van een fijn geordend middenklassenbestaan, waarbij de beschaving het gewonnen heeft van instinct en passie (`we stinken niet’.) Die door hem verzonnen uitgangssituatie plakt hij vervolgens op de vrouw en de Zwijger (volgens Gerbrandy haar partner), twee van de drie figuren uit het epos van Estor. Dat veilig-burgerlijke partnerschap wordt verscheurd door de allesverterende bevlieging van de vrouw voor `de allochtoon’ Izem.

‘Estor schrijft sterk en beeldend, de vuile en pijnlijke drift die de protagoniste geen keus laat wordt effectief neergezet’, schrijft Gerbrandy, en `stap voor stap raakt ze verstrikt in een mateloze, bij vlagen smerige passie, waarin geilheid, weerzin, honger en angst om voorrang strijden.’

Vrouwen en rauwe seksuele lust, het blijft ingewikkelde materie.

Gerbrandy laat de vrouw uitgeblust terugkeren naar haar Zwijger, waarna beiden zich vestigen in het `burgerlijke’ Kalmthout. Voor het gemak gaat hij voorbij aan de zwartgeblakerde heide waarover de gelieven trekken: `wij gingen als ruiters door verbrande tijd’, want het moet wel in zijn plaatje passen.

Gerbrandy vindt het te tam, dat einde, en ook vindt hij dat Estor te veel uitlegt. Desondanks heeft Gerbrandy het niet begrepen, zoals moge blijken uit zijn laatste bezwaar. Dat is `van politieke aard’. Wat natuurlijk de vraag oproept sinds wanneer we poëzie door een politieke bril moeten lezen.

Hij vraagt zich af of `het een goed idee is het beest in ons te associëren met ongewassen allochtonen.’

Suggereert hij hier dat Annemarie Estor een racistisch neokoloniaal gedicht heeft geschreven? Een doodzonde noemt hij het, analoog aan het Oriëntalisme van Edward Said, om het exotische oosten met wellustige achterlijkheid te verbinden. En gelijk heeft hij!

Behalve dan dat Annemarie Estor dat in het geheel niet doet. Misschien is Gerbrandy een beetje in de war geraakt door woorden als insjallah, dadel, vijg, komijn en gazellepootjes, en raakte daardoor zijn eigen associatievermogen verstopt met beelden van ruige Arabische of Berberse door de woestijn getaande woestelingen. Om nog maar te zwijgen van de wellust die van de pagina’s spat, want vrouwenseksualiteit in de setting van dwangmatige passie is immer nog een ingewikkeld ding voor veel mannen, dat blijkbaar samengaat met achterlijk, woest en `smerig’.

Maar de protagoniste is alles behalve een koele westerse dame. En hoe oosters is Izem eigenlijk? Door de westerse traditie buitelen ook woudwezens, oermannen, passieopwekkende dreigende vreemdelingen, half mens, half dierlijk. Daarvoor hoeven we niet naar de woestijn van Arabië. Met evenveel gemak kunnen Izem en de vrouw uit de bundel van Estor geplaatst worden in de traditie van faunen, saters, wolfmannen en Bacchanten die de westerse verbeelding heeft opgeleverd. Associeert iemand de onwelriekende Heathcliff met een allochtoon? Wemelt het in ons collectief geheugen niet van de gesoigneerde dames die als een baksteen vallen voor – zeg maar – een ongelikte jachtopziener of een ongeletterde Bretonse visser?

Het is niet `overdreven politiek correct’ Said gelijk te geven, het is in dit verband gewoonweg onzinnig. De Oosterse invloeden, de `woeste Arabieren’ zijn in de volkswijken van Antwerpen (en Amsterdam) net zo gewoon als Henk en Ingrid. Niks exotisch aan, en ook niks specifiek achterlijks – dat begrip zit in Gerbrandy’s wereldbeeld, niet in dat van Estor. Het is deel van de leefwereld en de woordenschat van een nieuwe generatie dichters. En een van de klinkende stemmen van die generatie is die van Annemarie Estor. Niks racistisch aan, meneer Gerbrandy!

Saskia Kunst is schrijfster en antropologe.

Onbekend

HDC Media B.V., o.a. uitgever van Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch Dagblad, De Gooi- en Eemlander en Noordhollands Dagblad

Het is een dichterlijke krachttoer van Annemarie Estor (1973). De oksels van de bok is één lang, klassiek aandoend gedicht, een moderne mythe. Een vrouw wordt op een braakliggend terrein in een stad verliefd op de sater Izem – half mens, half bok. Ze valt vooral voor zijn wilde haar. Het verhaal is half beeldend, half lyrisch. “Laat ons/ praten van het korstig vuur, dan kan ik as/ in longen dragen, en jou vragen: blijf bij mij./ Want het zal avond zijn.” Estor won twee jaar geleden de Vlaamse debutenprijs. {sic. Bedoeld wordt de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut, ae}

Stefan Van den Bossche

De Leeswolf

30/04/2012 – BOEK VAN DE WEEK

De uit Nederland naar Antwerpen uitgeweken dichteres Annemarie Estor (1973) kreeg voor haar eerste bundel Vuurdoorn me (Wereldbibliotheek, 2010) de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. De jury had het over taalplezier, een warm en buigzaam Nederlands, vreemde beelden, een ongewone woordenschat en fraaie vondsten. Een ‘knallend taalvuurwerk’ en ‘speels en verrassend’, zoals haar debuutbundel werd omschreven, zijn categorieën die ook op De oksels van de bok integraal van toepassing zijn.

Met haar jongste bundel bezorgt de dichteres niettemin een andersoortig vervolg, weliswaar in eenzelfde toonaard. De oksels van de bok is zonder meer een sublieme ontdekkingsreis die appelleert aan de beste narratieve en epische tradities in de poëzie. De treffende en beklijvende vreemdsoortigheid in een daartoe vooropgezette maar niet determinerende context roept reminiscenties op aan bijvoorbeeld het werk van Derek Walcott of, waarom niet, aan de Mei van Herman Gorter.

De bundel doet het mythische relaas van de liefde tussen de sater Izem – het Kabylisch voor leeuw – en de jonge vrouw Meanana. Izem verenigt in zijn figuur een aantal tegenstrijdige eigenschappen: hij is half mens, half dier en half aards, half hemels. Het gedicht, dat de hele bundel in beslag neemt, deint subtiel op de tonen van liefde en gevaar, schoonheid en afkeer, lokken en afstoten. Angst voor het onbekende wordt met een heerlijk en sprekend gemak afgewisseld met thuiskomen in het onbekende andere. Misschien is dat wel de essentie van deze poëzie, maar ik kan me goed voorstellen dat weinig beschouwers de aandrift zullen voelen om dit geheel op een finale manier te willen duiden. Deze poëzie verdient afstand en repetitie. Ook lijkt ze me auditief goed bruikbaar, een gedicht om te beluisteren en weg te zinken, op te schrikken bij bepaalde verzen en weer weg te zakken bij andere.

De dichteres heeft het geheel van haar gedicht onderverdeeld in acht afdelingen. Als men de titels van die cycli overloopt, valt meteen een specifieke teneur op. Zo kan men noties als ‘hooikist’, ‘dode vliegen’, ‘gestorven dieren’, ‘krijsen’ of ‘buigend bot’ bezwaarlijk vrolijk of tintelend noemen. De openingsverzen bevestigen die indruk: ‘Kopschuw stond de blinde muur in deze straat, / de zijkant van een afgebroken krot. Na tijden zag ik pas / de schaduw die hij wierp, de leuzen op zijn brokkelende vel’. De verleden tijd initieert de gedane zaken die geen keer nemen, de muur is blind, het krot gesloopt. Dat alles werpt een schaduw: het nabeeld van het verleden. In ieder geval is hier meteen veel verdwenen en is zelfs het krot afgebroken, ook al had het zichzelf al grotendeels ontmanteld. Iets of iemand werpt (wierp) een schaduw. Als het ‘iets’ is, is het die muur, als het ‘iemand’ is, dan zou het iets kunnen zijn dat werd bezield. Hoe dan ook belanden we meteen bij een aantal potentiële leessleutels voor dit nergens vervelende gedicht: bezieling van dingen, herinnering van een bepaald verleden, de schaduw die tegelijk herinnert en overschaduwt.

Deze taal trilt, en de lezer trilt mee. Want ze impliceert zowel bevreemding als herkenning. Het repetitieve van bepaalde versregels werkt dat nog in de hand: ‘Meanana, moest gij niet mee?’, bijvoorbeeld, een soort incantatie die herinneringen oproept aan de kindertijd, aan de schooltijd misschien ook. Het brengt de anders vreemde dingen nu bijna lichamelijk dichtbij. Ook al omdat Meanana rechtstreeks en zeer direct wordt aangesproken. Precies door dit soort technieken wordt het Andere geïntensiveerd, belichaamd en voelbaar gemaakt. Een en ander wordt ingekapseld in een heerlijk en ravissant taalgebruik waarin de verzen flirten met muziek en schilderkunst. Voorbeelden te over: ‘Meestal / wuifden kruinen. De takken zwaaiden met blauwe sterren, / lieten zich purperen vruchten ontvallen. Ze schilderden / met tamarinde een dromer dochterleven. Niets / riep mij naar huis’. Erg expressief is dit, met beeldmateriaal dat van de Duits-Joodse dichteres Else Lasker-Schüler had kunnen zijn, en dat is wat mij betreft een groot compliment.

Annemarie Estor schrijft speels en gedurfd, tovert met betekenissen en connotaties, zet meesterlijke tempowisselingen in, verandert van perspectief, mengt een mythische laag met een moderne, een tijdelijke met een tijdloze. Dat laatste filtert ze tot strofen als: ‘Hij vertelde van de tijd dat hij nog sterven kon. / Hij zei dat mensen jute zakken waren vol met pudding / en je mocht ze slaan totdat ze bijna uit elkander vielen. / Maar toen stortte hij zijn binnenzeeën uit, / en ik werd week en praatte aaiend op zijn schoft: / ‘Vergeet, ik zal je horens wrijven en de wratten / van je vingers bijten’. Zo zegt Meanana. Izem neemt haar minzaam in zich op: ‘Fier droeg hij mantels / van schapen, met beheerste hand geslacht. / Hij schermde me af van vlerken op brommers / hij voerde me heldenhistories en wees op de bergen. / Van de tuin van de waanzin was hij / het geweldigste groen’. Er dient zich, ergens in het gedicht, een moment aan van verraad, van onzekerheid en droefenis, om uiteindelijk gelouterd in elkaar te vervloeien. Dat resulteert in een onvergetelijke slotcyclus, ‘Kleed mij aan’, met de opnieuw sublieme openingsverzen: ‘Ik ben kaalgeschaafd teruggekeerd. / Heb melkwit door de stad gelopen. / Mijn paarse lippen wilden met een beetje toon / een venster breken om bij vuur te komen. / Al was het maar een kaars. Een tafellaken. / De leden van mijn ogen maakten mineralen, / beten afgevreten palen. Wie zag mij / in de winterstad?’.

Deze bundel heeft een uiterst behoedzame lectuur nodig. Een bedwelmende beeldspraak, een bezwerende ritmiek, een unieke klankrijkdom en muzikaliteit: alles, elk woord, elk vers maakt van De oksels van de bok een schitterende bundel, geschreven door een jonge dichteres die er nu al staat, helemaal, ten voeten uit.

Hedwig Speliers

Poëziekrant

[PDF VOLGT]

Ton van Deel

NBD|Biblion recensie

Annemarie Estor (1973) kreeg de Herman de Coninckprijs 2011 voor haar debuut ‘Vuurdoorn me’, een zinnelijke titel die feilloos aansluit bij haar nieuwe bundel, waarin de gretige verlangens van de vrouw in een mythogiserend verhaalgedicht de boventoon voeren. ‘Hij hield me vast / met zijn klimmende spieren. Aderen zwollen. / Ik telde mijn adem. / Hij lag op mijn keel, / hij deukte mijn appel, / hij blutste mijn teugen / tot stokkende happen.’ Dit is poëzie in de traditie van Hugo Claus, maar dan vanuit vrouwelijk perspectief. Het handelt dan over open stellen en binnen willen laten, uit laten stromen en ontvangen, en dat allemaal in een pralende taal, bont en klankrijk, ‘Mijn lichaam wist nog hoe zijn lichaam voelde. / Hij was een dier en zoet als dadels. / Maar hij trok de takken van mijn longen, / beefde mijn tong.’ Misschien is alles wat over de top geformuleerd, maar Estor weet op die hoge en geëxalteerde toon toch zoveel brille te bereiken dat ze overtuigt en meevoert, wat voor een min of meer verhalend, lang en in episoden verdeeld gedicht toch een prestatie van jewelste is.

Carl Destrycker

Kunsttijdschrift Vlaanderen

Met haar debuut, Vuurdoorn me, won Annemarie Estor de Herman De Coninckprijs. Haar tweede bundel, De oksels van de bok, draagt de ondertitel ‘Een gedicht’. Het is een lang verhalend gedicht in acht hoofdstukken over een jonge vrouw die ten prooi valt aan de passie voor een mythisch wezen. Izem is half mens, half bok en heeft een grote fysieke aantrekkingskracht op haar en tegelijk stoot hij haar af. Het wezen is ‘fascinosum et tremendum’ en die spanning roept Estor heel goed op. Hij betovert en verleidt haar en neemt haar mee naar zijn land Ganumee. Dat lijkt een idyllische plek: het landschap is sprookjesachtig, overvloedig gebruik van assonantie onderstreept de beroezing: ‘Achter / zijn waanzinnige gordijnen likten, vraten wij elkaar / totdat wij in één lichaam kwamen.’ Lichamelijkheid staat centraal in deze relatie, in deze bundel wordt dan ook heftig gevreeën. Estor slaagt er evenwel in om de passie in allerlei fijnzinnige beelden op te roepen. Maar uiteraard loopt het fout – Izem sterft. Aan het einde wordt de bundel echt indringend met een opeenstapeling van beelden die zeer intens de pijn van de scheiding voelbaar maken. De oksels van de bok is een bijzonder sterke tweede bundel: origineel van vorm, rijk aan beelden, klankmatig geraffineerd.

Jury Herman de Coninckprijs 2013:

De winnaar van de Herman De Coninckprijs 2013 laat zien wat zinnelijke taal vermag. Zij weet als geen ander een liefdesrelatie tussen vreemden intens voelbaar te maken voor de lezer. Een dergelijke beschrijving van een haast demonische liefdesrelatie is zelden gezien in de Nederlandse poëzie. Daarbij beschikt de winnaar over een indrukwekkend instrumentarium op het gebied van beeldentaal.

Tegelijkertijd staat ze, jawel, deze dichter is een dichteres, in vergelijking met de oogst poëzie van dit jaar, bijna alleen in het volledig gebruik maken van de narratieve kracht van de poëzie. Ze schenkt de lezer geen afzonderlijke gedichten maar een stevig opgebouwd drama. En toch dwingen de verzen niet naar het geheel. Ze staan krachtig op zichzelf maar vormen ook een organisch onderdeel van de grotere poëtische vertelling.

Haar werk steunt op verschillende herkenbare tradities, maar toch vervalt het niet in epigonisme. Doorheen de bezwerende vertelling proef je een stuwende authenticiteit. Deze dichteres maakt gebruik van oriëntaalse liefdeslyriek, bijbelse taal en mystieke visioenen.

In de visuele afwerking van de bundel schuilt een dubbeltalent. De suggestieve omslagtekening is ook van haar hand, en laat evenveel interpretaties open als haar verzen. Bovenal schept deze dichteres een mythisch epos, weliswaar geworteld in Kalmthoutse poëtische grond.

Het is daarom niet meer dan vanzelfsprekend dat haar talent twee jaar geleden al werd ontdekt en bekroond met de Herman de Coninck Debuutprijs. Met haar tweede bundel bestendigt, bevestigt en bekroont ze wat ze toen begon.

Deze poëzie moet u koesteren, zinnestrelen en proeven. Deze dichteres is een prijswinnaar.

Dames en heren, de Herman De Coninckprijs 2013 gaat naar Annemarie Estor voor haar dichtbundel De oksels van de bok.

Clipboard02

Juryrapport Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2013

Gedicht 2690 – Vagebond

Sommige gedichten dienen zich pas laat aan. Je denkt bijna klaar te zijn, tot je ineens een zwetend vers aan je benen voelt schurken en je voeten met natte snuit voelt aftasten. De jury raakte plots gegrepen door dit gedicht, en wist aanvankelijk niet waarom. Was het dat lijfelijke, dat onfrisse, meurende, dat gesnuif aan ons lichaam? Het is een goor gedicht, dat inbreuk pleegt, afstoot in zijn lijfelijkheid, opdringerig is. Het ís daar gewoon en gaat niet weg. En dat is exact wat het moest doen, getuige titel en onderwerp. We kunnen er lang en breed over spreken, maar dit gedicht leidt ons weg van de propere paden, het kwam als een vagebond aan ons been hangen en liet ons niet los. Het dampt, het is vlezig – en daarmee een verademing tussen alle op herinneringen en gedachten gebouwde gedichten.

VAGEBOND

Oren geslepen aan de nevel, hijgend na de regenbui,
de poten trappen in het glas langs de weg.

Wie sloeg de ruiten in waar het dier doorheen
naar binnen kan, het gras nog tussen de tenen,

het kwijl nog aan de bek, de damp in zijn vacht,
en wie ligt hier te roesten,

wat heeft de man verloren,
zal hij in zijn verbogen kooi het beestig snuiven

aan horen komen, zal hij wakker worden,
geschrokken van het rot in de snuit?

Zoekt dit zoogdier iets anders dan vlees?
Een verbond met een lijf, warm en meurend als hij?

Annemarie Estor

Standaard
General

2014

15 januari 2014, 20.00 uur: Annemarie Estor en Lies Van Gasse met Hauser, in boekhandel Het Voorwoord, Heist op den Berg.

4 februari 2014, 20.00 uur: Annemarie Estor en Lies Van Gasse met gastschrijver ‘Drakendoder’ Joris Gerits in boekhandel Theoria, Kortrijk.

21 juni 2014: Midzomernachtswandeling in Park Middelheim Antwerpen, met nieuwe poëzie van diverse dichters, en het gedicht ‘A Great Day’ voor ‘Beamdrop (Antwerp, 2009)’ van Chris Burden.

 

2013

19 januari: Klara in deSingel. Verhalen uit Boccaccio’s Decamerone.

31 januari: Prijsuitreiking Herman de Coninckprijs 2013 in de Arenbergschouwburg.

6 februari: Met het gedicht ‘Vagebond’ in de Top 20 van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd.

12 februari: Inwijding van de nieuwe wijkdichter van Zurenborg Jörg Pyl en uitzwaaien van Peter Theunynck die van 2009-2012 wijkdichter was, in het Zorgcentrum Zurenborg, Kleine Beerstraat 2, Antwerpen.

7-12 maart: Schrijfverblijf in Casablanca en Marrakech.

April: Verschijnen van ‘De wetten, de muren, de zon’ in Kunsttijdschrift Vlaanderen.

2 mei: Verschijnen van: Walter Weyns, Annemarie Estor en Stijn Geudens (red.), Marktisme. Kritiek op het berekenende samenleven, Pelckmans, 2013. Met essays uit het maandblad Streven.

12 en 22 mei: Première (Maaseik) en zangexamen (Leuven) van ‘Drie liederen voor een sopraan en al haar minnaars’ van Hans Helsen, op teksten van Annemarie Estor. Gezongen door Kelly Poukens.

16 mei: Verschijnen van ‘Operette’, gedicht in Kluger Hans.

Begin juni: Verschijning van mijn essay over technische aanpassingen aan het lichaam in het Streven-themanummer ‘Vervreemding’, samengesteld door Georges De Schrijver en Jean-Pierre Rondas.

7 juni: Voordracht rond het thema ‘barbaarse tijden’ en stellingname in het debat, georganiseerd door Stichting Pirandello. Plaats van handeling: Helmond.

20 juni: Hauser Live tijdens het feest Creatief Schrijven Tien Jaar, te Antwerpen.

30 juni-7 juli: Presentatie van een graphic poem tijdens de conferentie Time and Trace van de International Society for the Study of Time, Kreta.

6 september: Voordracht uit De oksels van de bok, in Asse, tijdens de verbranding van de hoppeduivel…

13 september: Vernissage en boekpresentatie! Annemarie Estor en Lies Van Gasse, Het boek Hauser, Wereldbibliotheek, 2013.

15 september-15 december: HAUSER.EXPO. Overzichtstentoonstelling over het project Hauser in het AMVC Letterenhuis te Antwerpen.

26 september: Vervreemding in De Zondvloed

Najaar: Tournee met Het boek Hauser en De oksels van de bok langs diverse boekhandels in Vlaanderen.

  • 1 november: Hauser is met Lies Van Gasse en Annemarie Estor op de Boekenbeurs
  • 5 november: Hauser is met Lies Van Gasse, Michaël Vandebril en Annemarie Estor bij het Poëziecentrum in Gent.
  • 8 november: Hauser is met Lies Van Gasse, Peter Mangel Schots en Annemarie Estor in De Zondvloed in Mechelen.
  • 28 november: Hauser is met Lies Van Gasse, Michaël Brijs en Annemarie Estor in Het Oneindige Verhaal in St Niklaas.

2 november, 10.00 uur – 12.00 uur: in gesprek met Katelijne Boon over de muziek waar ik van hou (volgens het recept Something old, Something new, Something borrowed, Something blue) voor het programma De Liefhebber op Klara, http://www.klara.be. Playlist: hier te vinden!

3 november: Annemarie leest voor uit haar ganse oeuvre… Poëzie op Zondagmorgen, in St-Niklaas

20 november: Lezing bij Elcker-Ik, ‘1913: Het jaar dat Camille Claudel werd opgenomen in het psychiatrisch hospitaal Ville-Evrard’.

Agenda

Aside
Books

oksels-van-de-bok De oksels van de bok (Wereldbibliotheek, 2012) is een lang, verhalend gedicht. Bekijk hier de boektrailer. Het werk werd bekroond met de Herman de Coninckprijs 2013.

Logo_HdCprijs_kl_2013

“Het is als met echte seks: je laat je meevoeren.” (Harry Vaandrager op Meandermagazine)

“Het epos van een bevlieging die op angstaanjagende manier uit de hand loopt.” (Piet Gerbrandy in De Groene Amsterdammer)

“In de traditie van faunen, saters, wolfmannen en bacchanten” (Saskia Kunst op Ooteoote)

“Een dichterlijke krachttoer” (Haarlems Dagblad)

De oksels van de bok is zonder meer een sublieme ontdekkingsreis die appelleert aan de beste narratieve en epische tradities in de poëzie.” (Stefan Van Den Bossche, De Leeswolf)

IMG_7290

Foto Rozanne Verhoeven

“Een dergelijke beschrijving van een haast demonische liefdesrelatie is zelden gezien in de Nederlandse poëzie. […] een stevig opgebouwd drama […] een mythisch epos.” (Roeland de Trazegnies, Thomas Blondeau, Eva De Roovere, Toon Horsten en Yra van Dijk, Jury Herman de Coninckprijs 2013)

De oksels van de bok

Aside