General

Recensies

Ziehier de verzameling van alle verschenen recensies.

T. van Deel

(NBD|Biblion recensie)

Annemarie Estor (1973) is dichter, verhalenschrijver, beeldend kunstenaar. Dit is haar debuutbundel met de prikkelende titel Vuurdoorn me. De erotische of meer in het algemeen zinnelijke en zintuiglijke benadering is het meest opvallende kenmerk van haar poëzie. Het beste is ze wanneer ze niet al te poëtisch wil doen, maar het eenvoudig houdt, zoals in ‘Bijna feest’: ‘We staan bij de gevel / in de opengebroken mist. // Achter je voordeur: / stapels popelende kookboeken. / Je wil iets doen met wild. // Ik wil wel wild.’ Maar vaker is het wat al te mooi gemaakt, bij voorbeeld in: ‘Het is geweest. De tijd rent weg / tussen de bladeren. Met blonde staartjes / en laarsjes vlucht zij voort, de tijd.’ Soms ook is het vaag en onduidelijk: ‘Uit de stappen in het stof ontsnapt de richting. / Het azuur ontstijgt het lamplicht.’ Met een beetje meer zelfkritiek had dit werk een stuk strakker en overtuigender kunnen zijn, met minder poëtische aanstellerij ook zou heel wat gewonnen zijn. Dan liever: ‘Bolderikme. Vijfvingerkruidme, / aspergeme, engelwortelme, adderwortelme! / Gladdewitbolme… oh, zompzeggeme… hondsdrafme. / WildeBertramme! Beukme ja beukme!’

Jury Herman de Coninckprijs 2011:

Annemarie Estors debuut Vuurdoorn me smaakt naar meer. Deze poëzie is zinnelijk en passioneel, verzen om in te bijten. Estor heeft plezier in de taal en deelt dat plezier met de lezer: ze serveert hem/haar ongewone woorden, nieuwe vondsten, vreemde beelden. De dichteres kneedt het Nederlands tot het warm en buigzaam is en onderdak biedt aan klevende vingers, billen en uilendons. Het is goed toeven in de poëzie van Annemarie Estor: je bent er meestal met twee en de koude werkelijkheid is veraf. Een speels en verrassend debuut, dat verwachtingen schept.

Koen Eyckhout

Dagblad De Limburger

De Vlaamse Annemarie Estor (1973) studeerde Cultuurwetenschappen in Maastricht, waarna ze in Leiden de doctorstitel verwierf met een studie over de Engelse schrijfster Jeanette Winterson, o.a. bekend van de roman Op het lichaam geschreven. Die titel had best het motto kunnen zijn van Estors tweede dichtbundel De oksels van de bok, een stoer en lichamelijk geschreven mythe in dichtvorm. Vol klankdicht en zangstemmen. Sater Izem krijgt met zijn aardse en bovenaardse charmes een jonge vrouw in zijn macht: “Mijn lichaam wist nog hoe zijn lichaam voelde. Hij was een dier en zoet als dadels. Maar hij trok de takken van mijn longen, beefde mijn tong.” Huiveringwekkend mooi.

Harry Vaandrager

Meander.net

WOON IN MIJ

Uit veel hedendaagse poëzie zijn de mensen door de nooduitgang verdwenen. Laat staan dat in die gedichten vleselijke verstrengelingen beschreven worden. Hoe anders is dat bij Annemarie Estor in haar nieuwe bundel De oksels van de bok.

Hier, in dit lange narratieve gedicht, wordt de liefde alleraardst genoten door de jonge vrouw Meanana en de sater Izem – half mens, half dier, half aards, half hemels.

… wij vraten elkaar totdat wij in een lichaam kwamen. Ingewreven met komijn
vreeën wij vereender met de resten van geslachte dieren.
Wij maakten vuur van oude boeken en we blakerden de huiden,
we beten als leeuwinnen en ademden elkanders spuug
met teer, we zogen zwabberdialecten uit elkanders keel.
En een paar pagina’s later zegt die geile bok Izem:
Maar woon in mij. Tussen mijn organen is een holte.
De muren zijn van vlees, gepekeld en gedroogd.
Leg je hoofd hier neer en slaap.

Er wordt een verhaal, of beter een mythe, verteld in een vaart waar menig prozaïst jaloers op mag zijn. Als lezer snel je van de ene regel naar de volgende pagina. En ik had geen enkele behoefte om thema’s te benoemen, duisterheden te ontraadselen of te letten op de gebezigde literaire technieken. Het is als met echte seks: je laat je meevoeren.

Hiermee wil geenszins gezegd zijn dat er inhoudelijk niets te genieten valt. Allesbehalve. Dit gedicht barst van de expliciete verwijzingen naar Griekse en Arabische mythen, de Bijbel, de Kabbala en naar ongetwijfeld nog veel meer bronnen van kennis. Literatuurwetenschappers zouden er al een hele kluif aan hebben om alle genoemde plaatsnamen een duiding te geven.

Met dit gedicht bewijst Annemarie Estor dat poëzie simultaan lyrisch en cerebraal kan zijn. Dat is een niet geringe verdienste.

Piet Gerbrandy

De Groene Amsterdammer

[PDF VOLGT]

Saskia Kunst

Ooteoote.nl

Deze week verscheen in De Groene Amsterdammer een recensie van De oksels van de bok, het pas verschenen lange gedicht van Annemarie Estor. De recensent is Piet Gerbrandy.

Gerbrandy begint zijn stuk met een beschrijving van een fijn geordend middenklassenbestaan, waarbij de beschaving het gewonnen heeft van instinct en passie (`we stinken niet’.) Die door hem verzonnen uitgangssituatie plakt hij vervolgens op de vrouw en de Zwijger (volgens Gerbrandy haar partner), twee van de drie figuren uit het epos van Estor. Dat veilig-burgerlijke partnerschap wordt verscheurd door de allesverterende bevlieging van de vrouw voor `de allochtoon’ Izem.

‘Estor schrijft sterk en beeldend, de vuile en pijnlijke drift die de protagoniste geen keus laat wordt effectief neergezet’, schrijft Gerbrandy, en `stap voor stap raakt ze verstrikt in een mateloze, bij vlagen smerige passie, waarin geilheid, weerzin, honger en angst om voorrang strijden.’

Vrouwen en rauwe seksuele lust, het blijft ingewikkelde materie.

Gerbrandy laat de vrouw uitgeblust terugkeren naar haar Zwijger, waarna beiden zich vestigen in het `burgerlijke’ Kalmthout. Voor het gemak gaat hij voorbij aan de zwartgeblakerde heide waarover de gelieven trekken: `wij gingen als ruiters door verbrande tijd’, want het moet wel in zijn plaatje passen.

Gerbrandy vindt het te tam, dat einde, en ook vindt hij dat Estor te veel uitlegt. Desondanks heeft Gerbrandy het niet begrepen, zoals moge blijken uit zijn laatste bezwaar. Dat is `van politieke aard’. Wat natuurlijk de vraag oproept sinds wanneer we poëzie door een politieke bril moeten lezen.

Hij vraagt zich af of `het een goed idee is het beest in ons te associëren met ongewassen allochtonen.’

Suggereert hij hier dat Annemarie Estor een racistisch neokoloniaal gedicht heeft geschreven? Een doodzonde noemt hij het, analoog aan het Oriëntalisme van Edward Said, om het exotische oosten met wellustige achterlijkheid te verbinden. En gelijk heeft hij!

Behalve dan dat Annemarie Estor dat in het geheel niet doet. Misschien is Gerbrandy een beetje in de war geraakt door woorden als insjallah, dadel, vijg, komijn en gazellepootjes, en raakte daardoor zijn eigen associatievermogen verstopt met beelden van ruige Arabische of Berberse door de woestijn getaande woestelingen. Om nog maar te zwijgen van de wellust die van de pagina’s spat, want vrouwenseksualiteit in de setting van dwangmatige passie is immer nog een ingewikkeld ding voor veel mannen, dat blijkbaar samengaat met achterlijk, woest en `smerig’.

Maar de protagoniste is alles behalve een koele westerse dame. En hoe oosters is Izem eigenlijk? Door de westerse traditie buitelen ook woudwezens, oermannen, passieopwekkende dreigende vreemdelingen, half mens, half dierlijk. Daarvoor hoeven we niet naar de woestijn van Arabië. Met evenveel gemak kunnen Izem en de vrouw uit de bundel van Estor geplaatst worden in de traditie van faunen, saters, wolfmannen en Bacchanten die de westerse verbeelding heeft opgeleverd. Associeert iemand de onwelriekende Heathcliff met een allochtoon? Wemelt het in ons collectief geheugen niet van de gesoigneerde dames die als een baksteen vallen voor – zeg maar – een ongelikte jachtopziener of een ongeletterde Bretonse visser?

Het is niet `overdreven politiek correct’ Said gelijk te geven, het is in dit verband gewoonweg onzinnig. De Oosterse invloeden, de `woeste Arabieren’ zijn in de volkswijken van Antwerpen (en Amsterdam) net zo gewoon als Henk en Ingrid. Niks exotisch aan, en ook niks specifiek achterlijks – dat begrip zit in Gerbrandy’s wereldbeeld, niet in dat van Estor. Het is deel van de leefwereld en de woordenschat van een nieuwe generatie dichters. En een van de klinkende stemmen van die generatie is die van Annemarie Estor. Niks racistisch aan, meneer Gerbrandy!

Saskia Kunst is schrijfster en antropologe.

Onbekend

HDC Media B.V., o.a. uitgever van Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch Dagblad, De Gooi- en Eemlander en Noordhollands Dagblad

Het is een dichterlijke krachttoer van Annemarie Estor (1973). De oksels van de bok is één lang, klassiek aandoend gedicht, een moderne mythe. Een vrouw wordt op een braakliggend terrein in een stad verliefd op de sater Izem – half mens, half bok. Ze valt vooral voor zijn wilde haar. Het verhaal is half beeldend, half lyrisch. “Laat ons/ praten van het korstig vuur, dan kan ik as/ in longen dragen, en jou vragen: blijf bij mij./ Want het zal avond zijn.” Estor won twee jaar geleden de Vlaamse debutenprijs. {sic. Bedoeld wordt de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut, ae}

Stefan Van den Bossche

De Leeswolf

30/04/2012 – BOEK VAN DE WEEK

De uit Nederland naar Antwerpen uitgeweken dichteres Annemarie Estor (1973) kreeg voor haar eerste bundel Vuurdoorn me (Wereldbibliotheek, 2010) de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. De jury had het over taalplezier, een warm en buigzaam Nederlands, vreemde beelden, een ongewone woordenschat en fraaie vondsten. Een ‘knallend taalvuurwerk’ en ‘speels en verrassend’, zoals haar debuutbundel werd omschreven, zijn categorieën die ook op De oksels van de bok integraal van toepassing zijn.

Met haar jongste bundel bezorgt de dichteres niettemin een andersoortig vervolg, weliswaar in eenzelfde toonaard. De oksels van de bok is zonder meer een sublieme ontdekkingsreis die appelleert aan de beste narratieve en epische tradities in de poëzie. De treffende en beklijvende vreemdsoortigheid in een daartoe vooropgezette maar niet determinerende context roept reminiscenties op aan bijvoorbeeld het werk van Derek Walcott of, waarom niet, aan de Mei van Herman Gorter.

De bundel doet het mythische relaas van de liefde tussen de sater Izem – het Kabylisch voor leeuw – en de jonge vrouw Meanana. Izem verenigt in zijn figuur een aantal tegenstrijdige eigenschappen: hij is half mens, half dier en half aards, half hemels. Het gedicht, dat de hele bundel in beslag neemt, deint subtiel op de tonen van liefde en gevaar, schoonheid en afkeer, lokken en afstoten. Angst voor het onbekende wordt met een heerlijk en sprekend gemak afgewisseld met thuiskomen in het onbekende andere. Misschien is dat wel de essentie van deze poëzie, maar ik kan me goed voorstellen dat weinig beschouwers de aandrift zullen voelen om dit geheel op een finale manier te willen duiden. Deze poëzie verdient afstand en repetitie. Ook lijkt ze me auditief goed bruikbaar, een gedicht om te beluisteren en weg te zinken, op te schrikken bij bepaalde verzen en weer weg te zakken bij andere.

De dichteres heeft het geheel van haar gedicht onderverdeeld in acht afdelingen. Als men de titels van die cycli overloopt, valt meteen een specifieke teneur op. Zo kan men noties als ‘hooikist’, ‘dode vliegen’, ‘gestorven dieren’, ‘krijsen’ of ‘buigend bot’ bezwaarlijk vrolijk of tintelend noemen. De openingsverzen bevestigen die indruk: ‘Kopschuw stond de blinde muur in deze straat, / de zijkant van een afgebroken krot. Na tijden zag ik pas / de schaduw die hij wierp, de leuzen op zijn brokkelende vel’. De verleden tijd initieert de gedane zaken die geen keer nemen, de muur is blind, het krot gesloopt. Dat alles werpt een schaduw: het nabeeld van het verleden. In ieder geval is hier meteen veel verdwenen en is zelfs het krot afgebroken, ook al had het zichzelf al grotendeels ontmanteld. Iets of iemand werpt (wierp) een schaduw. Als het ‘iets’ is, is het die muur, als het ‘iemand’ is, dan zou het iets kunnen zijn dat werd bezield. Hoe dan ook belanden we meteen bij een aantal potentiële leessleutels voor dit nergens vervelende gedicht: bezieling van dingen, herinnering van een bepaald verleden, de schaduw die tegelijk herinnert en overschaduwt.

Deze taal trilt, en de lezer trilt mee. Want ze impliceert zowel bevreemding als herkenning. Het repetitieve van bepaalde versregels werkt dat nog in de hand: ‘Meanana, moest gij niet mee?’, bijvoorbeeld, een soort incantatie die herinneringen oproept aan de kindertijd, aan de schooltijd misschien ook. Het brengt de anders vreemde dingen nu bijna lichamelijk dichtbij. Ook al omdat Meanana rechtstreeks en zeer direct wordt aangesproken. Precies door dit soort technieken wordt het Andere geïntensiveerd, belichaamd en voelbaar gemaakt. Een en ander wordt ingekapseld in een heerlijk en ravissant taalgebruik waarin de verzen flirten met muziek en schilderkunst. Voorbeelden te over: ‘Meestal / wuifden kruinen. De takken zwaaiden met blauwe sterren, / lieten zich purperen vruchten ontvallen. Ze schilderden / met tamarinde een dromer dochterleven. Niets / riep mij naar huis’. Erg expressief is dit, met beeldmateriaal dat van de Duits-Joodse dichteres Else Lasker-Schüler had kunnen zijn, en dat is wat mij betreft een groot compliment.

Annemarie Estor schrijft speels en gedurfd, tovert met betekenissen en connotaties, zet meesterlijke tempowisselingen in, verandert van perspectief, mengt een mythische laag met een moderne, een tijdelijke met een tijdloze. Dat laatste filtert ze tot strofen als: ‘Hij vertelde van de tijd dat hij nog sterven kon. / Hij zei dat mensen jute zakken waren vol met pudding / en je mocht ze slaan totdat ze bijna uit elkander vielen. / Maar toen stortte hij zijn binnenzeeën uit, / en ik werd week en praatte aaiend op zijn schoft: / ‘Vergeet, ik zal je horens wrijven en de wratten / van je vingers bijten’. Zo zegt Meanana. Izem neemt haar minzaam in zich op: ‘Fier droeg hij mantels / van schapen, met beheerste hand geslacht. / Hij schermde me af van vlerken op brommers / hij voerde me heldenhistories en wees op de bergen. / Van de tuin van de waanzin was hij / het geweldigste groen’. Er dient zich, ergens in het gedicht, een moment aan van verraad, van onzekerheid en droefenis, om uiteindelijk gelouterd in elkaar te vervloeien. Dat resulteert in een onvergetelijke slotcyclus, ‘Kleed mij aan’, met de opnieuw sublieme openingsverzen: ‘Ik ben kaalgeschaafd teruggekeerd. / Heb melkwit door de stad gelopen. / Mijn paarse lippen wilden met een beetje toon / een venster breken om bij vuur te komen. / Al was het maar een kaars. Een tafellaken. / De leden van mijn ogen maakten mineralen, / beten afgevreten palen. Wie zag mij / in de winterstad?’.

Deze bundel heeft een uiterst behoedzame lectuur nodig. Een bedwelmende beeldspraak, een bezwerende ritmiek, een unieke klankrijkdom en muzikaliteit: alles, elk woord, elk vers maakt van De oksels van de bok een schitterende bundel, geschreven door een jonge dichteres die er nu al staat, helemaal, ten voeten uit.

Hedwig Speliers

Poëziekrant

[PDF VOLGT]

Ton van Deel

NBD|Biblion recensie

Annemarie Estor (1973) kreeg de Herman de Coninckprijs 2011 voor haar debuut ‘Vuurdoorn me’, een zinnelijke titel die feilloos aansluit bij haar nieuwe bundel, waarin de gretige verlangens van de vrouw in een mythogiserend verhaalgedicht de boventoon voeren. ‘Hij hield me vast / met zijn klimmende spieren. Aderen zwollen. / Ik telde mijn adem. / Hij lag op mijn keel, / hij deukte mijn appel, / hij blutste mijn teugen / tot stokkende happen.’ Dit is poëzie in de traditie van Hugo Claus, maar dan vanuit vrouwelijk perspectief. Het handelt dan over open stellen en binnen willen laten, uit laten stromen en ontvangen, en dat allemaal in een pralende taal, bont en klankrijk, ‘Mijn lichaam wist nog hoe zijn lichaam voelde. / Hij was een dier en zoet als dadels. / Maar hij trok de takken van mijn longen, / beefde mijn tong.’ Misschien is alles wat over de top geformuleerd, maar Estor weet op die hoge en geëxalteerde toon toch zoveel brille te bereiken dat ze overtuigt en meevoert, wat voor een min of meer verhalend, lang en in episoden verdeeld gedicht toch een prestatie van jewelste is.

Carl Destrycker

Kunsttijdschrift Vlaanderen

Met haar debuut, Vuurdoorn me, won Annemarie Estor de Herman De Coninckprijs. Haar tweede bundel, De oksels van de bok, draagt de ondertitel ‘Een gedicht’. Het is een lang verhalend gedicht in acht hoofdstukken over een jonge vrouw die ten prooi valt aan de passie voor een mythisch wezen. Izem is half mens, half bok en heeft een grote fysieke aantrekkingskracht op haar en tegelijk stoot hij haar af. Het wezen is ‘fascinosum et tremendum’ en die spanning roept Estor heel goed op. Hij betovert en verleidt haar en neemt haar mee naar zijn land Ganumee. Dat lijkt een idyllische plek: het landschap is sprookjesachtig, overvloedig gebruik van assonantie onderstreept de beroezing: ‘Achter / zijn waanzinnige gordijnen likten, vraten wij elkaar / totdat wij in één lichaam kwamen.’ Lichamelijkheid staat centraal in deze relatie, in deze bundel wordt dan ook heftig gevreeën. Estor slaagt er evenwel in om de passie in allerlei fijnzinnige beelden op te roepen. Maar uiteraard loopt het fout – Izem sterft. Aan het einde wordt de bundel echt indringend met een opeenstapeling van beelden die zeer intens de pijn van de scheiding voelbaar maken. De oksels van de bok is een bijzonder sterke tweede bundel: origineel van vorm, rijk aan beelden, klankmatig geraffineerd.

Jury Herman de Coninckprijs 2013:

De winnaar van de Herman De Coninckprijs 2013 laat zien wat zinnelijke taal vermag. Zij weet als geen ander een liefdesrelatie tussen vreemden intens voelbaar te maken voor de lezer. Een dergelijke beschrijving van een haast demonische liefdesrelatie is zelden gezien in de Nederlandse poëzie. Daarbij beschikt de winnaar over een indrukwekkend instrumentarium op het gebied van beeldentaal.

Tegelijkertijd staat ze, jawel, deze dichter is een dichteres, in vergelijking met de oogst poëzie van dit jaar, bijna alleen in het volledig gebruik maken van de narratieve kracht van de poëzie. Ze schenkt de lezer geen afzonderlijke gedichten maar een stevig opgebouwd drama. En toch dwingen de verzen niet naar het geheel. Ze staan krachtig op zichzelf maar vormen ook een organisch onderdeel van de grotere poëtische vertelling.

Haar werk steunt op verschillende herkenbare tradities, maar toch vervalt het niet in epigonisme. Doorheen de bezwerende vertelling proef je een stuwende authenticiteit. Deze dichteres maakt gebruik van oriëntaalse liefdeslyriek, bijbelse taal en mystieke visioenen.

In de visuele afwerking van de bundel schuilt een dubbeltalent. De suggestieve omslagtekening is ook van haar hand, en laat evenveel interpretaties open als haar verzen. Bovenal schept deze dichteres een mythisch epos, weliswaar geworteld in Kalmthoutse poëtische grond.

Het is daarom niet meer dan vanzelfsprekend dat haar talent twee jaar geleden al werd ontdekt en bekroond met de Herman de Coninck Debuutprijs. Met haar tweede bundel bestendigt, bevestigt en bekroont ze wat ze toen begon.

Deze poëzie moet u koesteren, zinnestrelen en proeven. Deze dichteres is een prijswinnaar.

Dames en heren, de Herman De Coninckprijs 2013 gaat naar Annemarie Estor voor haar dichtbundel De oksels van de bok.

Clipboard02

Juryrapport Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2013

Gedicht 2690 – Vagebond

Sommige gedichten dienen zich pas laat aan. Je denkt bijna klaar te zijn, tot je ineens een zwetend vers aan je benen voelt schurken en je voeten met natte snuit voelt aftasten. De jury raakte plots gegrepen door dit gedicht, en wist aanvankelijk niet waarom. Was het dat lijfelijke, dat onfrisse, meurende, dat gesnuif aan ons lichaam? Het is een goor gedicht, dat inbreuk pleegt, afstoot in zijn lijfelijkheid, opdringerig is. Het ís daar gewoon en gaat niet weg. En dat is exact wat het moest doen, getuige titel en onderwerp. We kunnen er lang en breed over spreken, maar dit gedicht leidt ons weg van de propere paden, het kwam als een vagebond aan ons been hangen en liet ons niet los. Het dampt, het is vlezig – en daarmee een verademing tussen alle op herinneringen en gedachten gebouwde gedichten.

VAGEBOND

Oren geslepen aan de nevel, hijgend na de regenbui,
de poten trappen in het glas langs de weg.

Wie sloeg de ruiten in waar het dier doorheen
naar binnen kan, het gras nog tussen de tenen,

het kwijl nog aan de bek, de damp in zijn vacht,
en wie ligt hier te roesten,

wat heeft de man verloren,
zal hij in zijn verbogen kooi het beestig snuiven

aan horen komen, zal hij wakker worden,
geschrokken van het rot in de snuit?

Zoekt dit zoogdier iets anders dan vlees?
Een verbond met een lijf, warm en meurend als hij?

Annemarie Estor

Advertisements
Standard

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s